the television is watching you
[ de angst voor geen televisie ]
Televisie is het dominante medium van het moment. Dat betekent dat het in gebruik, wereldwijde verspreiding en culturele inpakt dominant is aan alle andere media, maar ook, letterlijk, dat het de meest belangrijke drager is van 'het moment'. Televisie is een momentenmedium, dat ons, kijkers, onlosmakelijk in het moment van het heden verankert.
Het heden van televisie presenteert zichzelf als een oneindige en continue flow, zonder begin- of eindpunt: een schijnbaar op en in zichzelf bestaande ruimte zonder centrum, met als enig structurerend principe haar continuïteit. Televisie begint niet: zet de televisie aan en je valt altijd ergens midden in. Televisieprogramma's eindigen ook niet: ze gaan over in een ander programma of in andere media. Zo verwijst vrijwel elk programma tegenwoordig naar een website, naar een vervolg of herhaling, naar een volgend programma (after the break... / coming up...) of naar andere media buiten de TV, zoals tijdschriften (bv Oprah Winfrey's O Magazine), kranten (in actualiteitenrubrieken) en mobiele telefonie (dmv SMS acties en prijsvragen).
Televisie houdt dus nooit op: als je het televisietoestel uitzet, gaat de televisie zelf gewoon door - alleen zonder jou: de televisie staat aan, jijzelf staat uit. Net zoals de massamedia altijd doorgaan en wij, in onze gedwongen rol van mediaconsument, altijd en overal verbonden zijn aan de media.
Sinds de jaren 80 zijn massamedia in het algemeen en televisie in het bijzonder onontwarbaar verstrengeld geraakt met alle andere menselijke en culturele domeinen. Niet langer kunnen we een duidelijk onderscheid maken tussen de pers, entertainment en informatie - alles is op een hoop geschoven. Nieuwsjournaals berichten over celebrities en ander infotainment, soap series spiegelen politieke trends, de journalistiek creëert publieke opinie en de publieke opinie wordt mede bepaald door entertainment.
Door die verstrengeling zijn de effecten van media voelbaar in alle hoeken van de samenleving en bovendien niet meer los te weken van het denken en spreken over maatschappelijke thema's. Bij belangrijke gebeurtenissen zijn al onze referenties mediareferenties. Zonder de televisie en, in steeds geringere mate, kranten en, in steeds grotere mate, internet, zouden we niet meer over de wereld kunnen spreken. De wereld is volledig ver-medialiseerd. Televisie creëert de werkelijkheid, in die zin dat de werkelijkheid afhankelijk is geworden van de televisie (en andere massamedia) om kenbaar te zijn.
Waar de vraag "als niemand de boom ziet vallen, is de boom dan gevallen?" ooit filosofische spielerei was, is de vraag of iets dat niet gerepresenteerd wordt wel werkelijk is, tegenwoordig een stuk reëler. Niet omdat de spektakelcultuur van televisie tot cynisme heeft geleid, maar juist door die innige en onontwarbare verstrengeling tussen massamedia en politieke, sociale en culturele processen. Als we het geweld in Chad niet op televisie zien, bestaat dat geweld niet omdat het geen rol speelt in onze publieke en politieke menings- en besluitvorming, die op hun beurt beïnvloed en grotendeels bepaald worden door televisie. Vanzelfsprekend is de mislukte staatsgreep in Chad zeer werkelijk (ofschoon dat alleen gezegd kan worden dankzij de massamedia; doordat het rebellengeweld weliswaar niet op televisie, maar toch nog ergens in de media is gekomen) - het gaat er hier niet om dat wat niet op televisie zichtbaar is, überhaupt niet zou bestaan, maar dat het niet bestaat in andere sociale en culturele domeinen.
Je kan je dus afvragen wie naar wie kijkt: kijken wij naar de televisie of bekijkt de televisie ons? Wij kijken weliswaar naar het beeld, maar dat beeld dwingt de manier waarop het bekeken wordt af; het televisiebeeld bepaalt de manier waarop wij kijken.
In maart 2003, enkele dagen na de geallieerde inval in Irak, zond de Arabische nieuwszender Al Jazeera een minutenlange, integrale opname van de opgestapelde lijken van Amerikaanse soldaten uit. CNN liet van dezelfde opname enkele zeer korte fragmenten zien, het NOS Journaal toonde een langere versie, maar zonder de bloederige delen. De duidelijke, voor de hand liggende en daardoor onschuldige ideologische en culturele kleuring van de drie zenders daargelaten, toonde dat moment vooral aan hoe journalistiek overging in beeldcultuur, en nieuwsverslaggeving in televisielogica. De nieuwswaarde van de beelden was nihil: het nieuwsfeit van omgekomen soldaten is kort en hard en kaal; de beelden zijn het spektakel er omheen, de illustratie voor slechthorenden.
De beelden geven de inhoud een extra glans van waarheid. Waar we de wenkbrauwen nog kunnen fronsen bij het aforisme dat wat niet afgebeeld wordt, niet bestaat, lijkt de omkering daarvan - als je het kan zien, dan moet het wel gebeurd zijn - volledig geaccepteerd en genormaliseerd te zijn.
De overgang van berichten in beelden, van informatie in televisie - het idee dus dat beelden an sich nieuws zijn (wat evenzeer voor entertainment geldt als voor actualiteiten), heeft hardnekkig postgevat in alle delen van onze televisiewerkelijkheid. Het beeld van een grote vloedgolf die een man in de branding omver werpt en verzwelgt is geen nieuws; je zou het evengoed in America's Funniest Homevideo's tegen kunnen komen als tijdens de berichtgeving over de tsunami in Zuid-Azië (en de ironie wil dat dit beeld, in twee zeer vergelijkbare varianten, inderdaad in beide gevallen te zien was). Voetbalvandalisme is alleen nieuws als er beelden van vechtende supporters zijn. Het op gruwelijke wijze vermoorden van mensen is, hoe cynisch ook, business as usual, het is aan de orde van de dag - het simpele feit dat de moordenaars hun moord op video hebben opgenomen, promoveert de gebeurtenis tot breaking news. En telkens ontbreken juist perspectief, context en verdieping - de beelden slurpen alle aandacht op en dwingen ons het gruwelijke of mooie an sich te waarderen, dwingen ons onder de indruk te zijn van het beeld zelf, niet langer van datgene waar het beeld naar verwijst. Het beeld is een moment geworden, door continuïteit verankerd in een eindeloze flow aan momenten, die ons kluisteren en onze blik afdwingen opdat ze ons de werkelijkheid in één keer, optimaal zichtbaar en volledig in zichzelf besloten laten zien.
Sinds de televisie op alle netten de hele nacht door eindeloos lang beeld braakt, van herhalingen van actualiteitenprogramma's tot belspelletjes en onophoudelijke reclames voor keukenmessen, sociale contacten en sekslijnen, sinds er op de televisie geen testbeeld meer te bekennen is, lijkt het erop dat onze angst voor nacht, duisternis en 'the other side of things' (dat wat niet zichtbaar is) getransformeerd is tot een angst voor het ontbreken van beeld. Als de gehele notie van duisternis en de andere kant van dingen verdrongen is door absolute en excessieve zichtbaarheid, rest ons alleen de zekerheid van de zichtbaarheid zelf. Televisie belichaamt onze angst voor geen televisie.